Slider

Op 16 oktober 2014 velde de Raad van State (hierna: RvS) een nieuw arrest waarin het de draagwijdte verduidelijkt van de machtiging tot verblijf om medische redenen overeenkomstig artikel 9ter van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 (hierna: artikel 9ter Vw.).

Dit arrest komt tegemoet aan de verdeeldheid die bestaat tussen de Franstalige en de Nederlandstalige kamer van de RvS. Immers, niet alleen binnen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maar ook op cassatie-niveau bij de Raad van State heerste onenigheid omtrent de interpretatie van de “ernst van de ziekte”. Waar volgens de Franstalige kamer van de RvS enkel iemand met een direct levensbedreigende ziekte in een vergevorderd kritiek stadium in aanmerking kan komen voor een medische regularisatie op grond van artikel 9ter Vw., oordeelde de Nederlandstalige kamer van de RvS dat artikel 9ter Vw. een ruimere draagwijdte kent waarop elkeen aanspraak kan maken wiens gezondheidstoestand “een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit of op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling in het land van herkomst is”.

De RvS heeft met dit arrest willen vermijden dat de werkingssfeer van artikel 9ter en de toepassing van artikel 3 EVRM verder op verschillende wijze zou worden geïnterpreteerd. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hanteert namelijk een hoge drempel bij de toepassing van artikel 3 EVRM in medische zaken. De Raad van State verwijst in zijn arrest naar de wens van de wetgever om de mogelijkheid tot verblijf op grond van medische redenen enkel te laten gelden voor ernstig zieke vreemdelingen. Het zet verder twee hypotheses uiteen die kunnen leiden tot een machtiging tot verblijf voor de ernstig zieke vreemdeling: De ernstig zieke wiens gezondheidstoestand een reëel risico inhoudt voor het leven en waardoor verwijdering onmogelijk is, zelfs al zou er adequate behandeling bestaan in het land van herkomst, en de ernstig zieke wiens gezondheidstoestand een reëel risico inhoudt op onmenselijke of vernederende behandeling aangezien geen adequate behandeling in het land van herkomst bestaat.  De Raad besluit dat de werkingssfeer van artikel 9ter Vw. wel degelijk ruimer is dan de werkingssfeer van artikel 3 EVRM. Het artikel 3 EVRM betreft immers slechts een minimumnorm en staat dus geen ruimere bescherming in nationale wetgeving in de weg.

Het arrest bepaalt verder ook dat artikel 9ter Vw. moet worden gezien als een autonoom wetsartikel, een norm van intern recht en geen omzetting van een norm van afgeleid Europees recht, of een soort van subsidiaire bescherming. Het Grondwettelijk Hof heeft hieromtrent in de zaak M’Bodj een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het arrest van de Raad van State verwijst in zijn motivering uitgebreid naar de analyse van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie in deze zaak. Het valt aldus af te wachten of het Hof van Justitie zich in dezelfde lijn zal uitspreken.

Céline Verbrouck
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
02/894.45.73

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
02 894 45 78

Our website is protected by DMC Firewall!